Als godsdienstlerares in een secundaire school grijpt Liesbeth Goris de kans om met haar leerlingen over het geloof te spreken. Hoe zien ze de toekomst van de katholieke Kerk? Hoe ziet voor hen de ideale paus eruit? De reacties van deze jonge mensen zijn vaak onbevangen, dikwijls verrassend en altijd hoopvol.
Wanneer je met jongeren spreekt over de Kerk, merk je vaak een zekere afstand. Voor hen lijkt ‘Rome’ ver weg, iets dat nauwelijks nog te maken heeft met hun dagelijkse leven. En toch – soms gebeurt er iets waardoor diezelfde jongeren geraakt worden. Zo was het ook bij het overlijden van paus Franciscus. In de klas stelde ik de vraag: ‘Hoe zou voor jou een ideale paus eruitzien?’
Hun antwoorden verrasten me. Niet de grote theologische begrippen kwamen boven, maar woorden als: vriendelijk, eerlijk, authentiek, met humor.
Jongeren verlangen geen wereldvreemd gezag, maar iemand die hun taal spreekt, die dicht bij hun bestaan staat.
En precies daar ligt een theologische sleutel: de Kerk is geloofwaardig wanneer ze nabij is, zoals Christus zelf de goede herder is, die zijn schapen kent en bij name roept (Joh 10, 11).
Vreugden en wonden
In de gesprekken klonk ook iets rebels: waarom zou de paus geen vrouw kunnen zijn? Etnische afkomst of nationaliteit deden er voor hen helemaal niet toe. Wat telt, is nabijheid en herkenbaarheid.
Daarin hoor ik een echo van het Tweede Vaticaans Concilie, dat stelt: ‘Vreugde en hoop, verdriet en angst van de mensen van nu … zijn ook de vreugde en hoop, verdriet en angst van de leerlingen van Christus’ (Gaudium et Spes 1).
Met andere woorden: de Kerk kan alleen werkelijk Kerk zijn als ze de vreugden en de wonden van mensen deelt. Jongeren voelen dat haarfijn aan. Zij verlangen geen instelling die enkel interne debatten voert, maar een gemeenschap die staat bij de kwetsbaren en gebrokenen.
De Kerk als veldhospitaal
Het is precies dat beeld dat paus Franciscus vaak gebruikte: de Kerk als een veldhospitaal op het slagveld. Waar gewonden niet eerst naar hun papieren of regels wordt gevraagd, maar waar ze verzorgd worden, met tederheid en aandacht.

Als je ziet wat jongeren belangrijk vinden – rechtvaardigheid, vrede, zorg voor armen en schepping – dan hoor je daarin eigenlijk de echo van het Evangelie zelf. In Matteüs hoofdstuk 25 zegt Christus: ‘Alles wat je gedaan hebt voor een van de geringsten van mijn broeders, dat heb je voor Mij gedaan.’
Hun intuïtie klopt dus theologisch. De Kerk kan slechts authentiek zijn, wanneer ze dit Evangelie tastbaar maakt.
Stilte in de drukte
Maar jongeren verlangen méér. In een wereld vol lawaai, sociale media en prestatiedruk, zoeken ze plekken van stilte.
Soms vroegen ze zelfs spontaan: ‘Mevrouw, kunnen we dit uur niet gewoon even beginnen met een stiltemoment of een gebed?’
Dat raakte me. Want hier ontmoeten we iets diep theologisch. De liturgie is volgens Vaticanum II immers ‘het hoogtepunt waarop het handelen van de Kerk gericht is en tegelijkertijd de bron waaruit al haar kracht voortvloeit’ (Sacrosanctum Concilium 10). En Augustinus wist het al: ‘Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.’
Kerkgebouwen kunnen in die zoektocht een tegenstem bieden. Architect Frank Vandepitte noemde ze ‘plekken van ongerichte aandacht’ – ruimtes waar je even niets hoeft, waar je eenvoudigweg ontvangen mag worden. Voor jongeren, vaak gevangen in druk en deadlines, kan dat een openbaring zijn.
Traditie en vernieuwing
En toch blijft er de vraag: hoe kan de Kerk die ruimte ook concreet aanbieden? Waarom zouden er niet meerdere vieringsmomenten zijn op zondag, zodat mensen kunnen komen op het moment dat voor hen haalbaar is? Waarom zouden vrijwilligers niet opnieuw, zoals vroeger, de communie bij ouderen en zieken brengen?

Dat zijn geen vrijblijvende ideeën, maar uitdrukkingen van een Kerk die wil aansluiten bij de concrete levens van mensen. Tegelijk mag dat nooit losstaan van de traditie. Paus Benedictus XVI waarschuwde ervoor: vernieuwing moet altijd verbonden blijven met het geloof dat de Kerk door de eeuwen heen bewaart (Sacramentum Caritatis).
Het is een voortdurend evenwicht: trouw aan het verleden, maar met open ogen voor het heden.
Moederlijk nabij
Voor mij komt het allemaal samen in Maria, die door Vaticanum II Mater Ecclesiae werd genoemd – Moeder van de Kerk. Ze staat symbool voor een gemeenschap die niet naar zichzelf verwijst, maar altijd naar Christus: ‘Doe maar wat Hij u zeggen zal’ (Joh 2, 5).
Zo stel ik me de vrouwelijke Kerk van de toekomst voor: een gemeenschap die moederlijk nabij is, die jongeren met open armen ontvangt, die ruimte schept voor stilte en gebed, maar tegelijk profetisch aanwezig is in de strijd om gerechtigheid en vrede.
Geen nostalgie, geen breuk
De Kerk van mijn dromen is geen nostalgische terugkeer naar de jaren 50, en ook geen radicale breuk met traditie.
Het is een Kerk die jong en oud aanspreekt omdat ze echt is: eenvoudig, luisterend, gastvrij.
Zoals Lumen Gentium (een van de kerndocumenten van het Tweede Vaticaans Concilie) het zegt: de Kerk is ‘in Christus als een sacrament, dat wil zeggen teken en instrument, van de innige vereniging met God en van de eenheid van de volledige mensheid’.
Of, in de woorden van de leerlingen zelf: vriendelijk, solidair, dienstvaardig, eerlijk, authentiek en met humor. Misschien is dat nog wel de mooiste samenvatting van het Evangelie.
Liesbeth Goris

Vandaag lees ik in k&l een artikel waarin staat dat jongeren juist wel terug grijpen naar de bijbel net als 50 jaar geleden.
‘Juist wel’ alludeert op een tegenstelling, die er in se niet is. Gelovig christen zijn kun je niet zonder (terug) te grijpen naar de Bijbel. Een goede begeleider zoeken om de Bijbel te bestuderen is evenwel geen luxe. Er op voorhand van uitgaan dat er maar één interpretatie mogelijk is (of erger nog: elk verhaal letterlijk begrijpen, zonder rekening te houden met het genre, de stijl, de context…) is helaas een kwaal die helaas ook nogal wat katholieken treft, ook sommige jongeren die kennismaken met ons geloof.
– Glenn